Ik ben nog jong als ik leer dat er een hemel is.
Er wordt mij alsmaar ingeprent: denk eraan, er is ook voor eeuwig nog een hel. Voor twijfelgevallen is er het vagevuur.

Ik zie het in die tijd helemaal voor me. Ergens ver boven die wolken gebeurt het allemaal. Maar als ik dood ben wil ik het liefst blijvend fladderen. Zo’n engeltje (in mijn geval met bril) en vleugeltjes. Of zal ik toch voor eeuwig branden in dat vervloekte hellevuur? Ik ben minstens voorbestemd voor het vagevuur. Mijn doodzonden zijn mij dan allemaal vergeven maar voor de rest moet ik toch nog even boeten.
Daarna kan ik blijven fladderen tot ik een ons weeg. Dat laatste lijkt me gezien de situatie van dat moment niet zo moeilijk en meer dan redelijk.

Met de klas van de lagere school gaan we af en toe op stap. Jawel, naar de kerk driehonderd meter verderop. Ook ik kom er niet onderuit: een voor een die biechtstoel in. Een akelig donker hok met twee gordijntjes: eentje links en eentje rechts. In het midden zit een deur. Daarachter schuilt meneer pastoor. Ik zie hem niet maar ik herken zijn stem.
Mijn verbale onzin heb ik onderweg naar de kerk al voorbereid en door het kleine luikje zeg ik dat ik mijn zusje heb geplaagd. En ja, ik ben nog wel eens vaker stout. Dan leen ik een paar koekjes uit de koekjestrommel. De stem aan de andere kant van dat luikje zegt dat lenen best wel mag. Hij heeft dus wel gevoel voor humor.
Maar dan streng: plagen van je zusje moet je niet meer doen. Eén onzevader en nog een weesgegroetje jongen, daarna is je zonde je vergeven.

Het luikje gaat weer dicht en ik hoor aan de andere kant zo’n zelfde klepje opengaan.
Mijn schoolkameraad gaat ook vertellen dat hij zijn zusje heeft geplaagd en koekjes uit de koekjestrommel heeft geleend. Hebben we zo afgesproken.
Blij dat ik uit dat donkere hok ben ga ik plichtsgetrouw -zo ben ik in die tijd- een onzevader en een weesgegroetje opzeggen. Samen met mijn klasgenootje. Hij moet drie onzevaders en drie weesgegroetjes. Een terechte straf voor die oen. Heeft gezegd dat hij koekjes heeft gestolen, niet geleend.
Een stem klinkt: volgende!
Ik ben blij dat ik inmiddels van mijn zonde ben bevrijd. Binnenkort weer hetzelfde ritueel.

Met weemoed en vooral afgrijzen denk ik aan die ouwe tijd.
Scholen sturen leerlingen in die tijd regelmatig naar dit soort cabaretvoorstellingen. Ook zij moeten volgens rooster immers een aantal uren per jaar aan godsdienst besteden. Makkie en een leuke wandeling; vast ook pedagogisch bedoeld. Ook geestelijken besteden in die jaren echt zoveel tijd aan dit soort onzin. En dan vallen mensen van hun geloof af. Een prachtige uitdrukking.

Inmiddels schrijven we 2016 en ben ik een beetje ouder. De leeftijd waarop ik heerlijk relativerend kan terugkijken naar alles wat er ooit eens was.
Ik kom nooit meer in een kerk. Ja, bij een enkele begrafenis.
Even langs die biechtstoel. Ik hoop dat ik meneer pastoor niet tegenkom want ik zou niet eens meer weten hoe het onzevader en weesgegroetje ooit hebben geklonken.

Ik blik in gedachten vooruit en kijk naar de hemel.
Het vagevuur of wordt het toch de hel?
Maakt niet uit.

Het blijft gewoon zoals het ook op aarde is.


Meer columns van Rob van Spanje? Lees zijn bundel Vis op vrijdag!

written by

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.