Vogelvoer

vogelvoer

We beleven weer een strenge winter.
Maar liefst een week lang vriest het al. Licht tot matig. Zelfs overdag een beetje. We vinden met z’n allen dat het inderdaad koud is omdat de weerman of -vrouw dat nu eenmaal heeft gezegd. Code geel. Gedachten aan een Elfstedentocht. Ik hou mijn lachspieren in bedwang.

Ik zoek het wat dichter bij huis en denk in deze barre winterdagen toch zeker ook aan de vogeltjes.
Veel Nederlanders strooien van hun duur verdiende centen een klein beetje voor die beestjes. Niet al te veel want zij hebben er zelf ook hard voor moeten werken. Wat kruimeltjes die nog resten. Alle beetjes helpen en Holland op z’n smalst. Mijn vrouw en ik overdrijven altijd meteen. Niet alleen die kruimeltjes maar ook nog wat noten ophangen. En natuurlijk wat vetbollen. Als voorgerecht of als toetje. Voor de zekerheid nog maar wat stukjes appel op de grond. Alles een paar meter verderop.

Een paar keer per dag rook ik buiten een sigaretje.
Ik kijk naar die paar meter verderop. Vooral ’s morgens houd ik mij heel rustig: vogels aan het ontbijt. Misschien is het voor hen al lunchtijd. Prachtig om te zien. De merels zijn altijd als eerste bij het voedsel op de grond. Logisch want zij gaan niet aan een netje hangen. Kunnen ze volgens mij niet eens. Ze eten het niet ter plekke op maar pikken een stukje appel en vliegen er mee weg. Even verderop gaan ze lekker beschut zitten peuzelen, uit het oog van kapers op de kust.

Het boompje waarin die andere maaltijden hangen.
Het snelst en brutaalst zijn meestal de koolmeesjes. Die slaan het voorgerecht over en beginnen driftig aan de noten te pikken. Een mus komt in de buurt en daalt een paar takjes verder in datzelfde boompje neer. Duidelijk ook op zoek naar een notenmaaltje. Wordt niet getolereerd. Hier is op dat moment de koolmees heer en meester. Er is genoeg voor de inhoud van tig volières maar er is er maar één de baas. Een kat- en muisspel. Zelfs de aanwezigheid in de buurt van die noten wordt afgestraft met hevig gefladder over en weer en gehup van tak naar tak. De mus druipt af; vetbollen lust ie kennelijk niet. Een roodborstje wacht eenzelfde lot. De meest brutale met de grootste bek bepaalt.
Als de tiran is verdwenen komen ze allebei weer terug. Die mus en dat roodborstje en andere vogeltjes waar ik de naam niet eens van weet. Allemaal vreedzaam naast elkaar.

Als ik die vogeltjes zo observeer, denk ik meteen ook aan het gedrag van mensen.
De meest brutale met de grootste bek denkt te kunnen bepalen wat en wanneer anderen iets mogen doen. Een vogel die als mus is geboren wordt nooit een roodborstje. Snap ik. Een mens die zich alsmaar blijft verschuilen achter het feit dat ie nu eenmaal zo is geboren weiger ik te begrijpen.

Mensen zijn vaak o zo dom.
Ik kijk naar die vogeltjes.

En weet dat ik nooit een koolmees zou kunnen zijn.

 


Meer columns van Rob van Spanje? Lees zijn bundels Vis op vrijdag en Ik hengel maar wat!

 

written by

Leave a Reply

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.