Gisteren ging ik weer eens op bezoek bij tante Door. Ze was nu al enkele weken thuis, dus ik ging ervan uit dat ze haar draai wel gevonden zou hebben. Bij aankomst in het gebouw met “aanleunflats” drukte ik al op de bel bij de grote glazen entreedeur naar de beneden hal voordat ik me realiseerde dat ze niet zo snel bij de elektronisch deuropener in haar flat zou zijn.

Gelukkig liep een oude meneer rondjes voor de glazen deur (ik stond me net af te vragen wanneer hij duizelig zou worden) en vanuit een van die rondjes stak hij zijn rechterhand uit waarin een pasje zat dat hij voor het elektronische oog hield om vervolgens zijn vast met zichzelf afgesproken aantal rondjes te hervatten. Na bedankt te hebben, stapte ik in de lift naar de tweede etage, liep een brede gelinoleumde gang door en klopte op de voordeur van tante Door.
‘Kom maar binnen, de deur is open,’ hoorde ik haar welluidende stemgeluid.
Door een klein halletje kwam ik in de open woonkamer annex keuken en zag ik mijn tante in haar sta-op-stoel voor het raam zitten.
‘Kindje toch, wat enig dat je me komt opzoeken. En heb je nu alweer bloemen meegenomen? Daar moet je eens mee ophouden, hoor, dat wordt te gek. Wat moet dat wel niet kosten elke keer? En wat vind je van mijn opgeknapte huisje?’
‘Reuze gezellig, tante Door. En wat heeft u een heerlijk, zonnig balkon.’
‘Ja, hè?’ riep ze enthousiast en draaide haar hoofd ietwat stram opzij voordat ze naar de schuifdeur rechts achter haar wees. ‘En zo fijn met die schuifdeur, zit ik binnen en toch buiten. Wil je koffie, kind?’
‘Lekker,’ zei ik en draaide me om naar het keukendeel. ‘Zal ik het even inschenken en zal ik dan meteen de bloemen in het water zetten?’
Vijf minuten later zaten we met een kopje dampende koffie tegenover elkaar. ‘En tante Door, hoe is het met u? Het zal wel even wennen geweest zijn.’
‘Ja,’ knikte ze instemmend. ‘Maar de dames van de thuiszorg zijn allemaal even attent en mijn jongste zoon en zijn vrouw komen elke donderdag de boodschappen brengen. Ik mis wel mijn oudste zoon, die is weer terug naar zijn eiland. Ach, en daar heb ik toch af en toe mijn zorgen over,’ zei ze en ik verdacht haar ervan een snik weg te slikken.
‘O, waarom dan?’
‘Hij is weduwnaar hè en natuurlijk, het is prachtig zonnig op dat eiland, maar het is toch leuker als je er met z’n tweetjes van kunt genieten. Kijk,’ wees ze naar een foto die op haar kast stond. ‘Kijk, dat is ’em als kind. Tja, hij is nu zelf al gepensioneerd. Maar vroeger was het me d’r eentje hoor. Hij was natuurlijk zeven jaar enig kind geweest en danig verwend. Daar kwam na de geboorte van zijn broertje wel de klad in. Ik geloof dat het jaren geduurd heeft voordat hij zo goed was me te vergeven voor het feit dat ik hem op een broertje getrakteerd heb. En zo’n traktatie was het trouwens niet. Guttogut, wat een toestand om dat kind op de wereld te zetten. Daarna was ik meteen genezen, aan mijn lijf geen polonaise meer. Mocht je ooit nog zwanger worden, o nee, dat kan niet meer hè, nou ja, maar dat terzijde, mocht je iemand kennen die zwanger is, laat ze nooit zuurkool eten voor de bevalling. Als je nog geen krampen had, dan krijg je ze daar wel van. Maar eh, hoe is het met jou, kind?’
‘Alles is prima, tante Door, ik heb het druk genoeg. En u, wat doet u nu de hele dag?’
‘O, kind, ik verveel me geen moment. Ik ga vaak naar de bingo en het wekelijkse koffieuurtje met de kantoordames is ook weer van start gegaan.’
‘Kantoordames?’ vroeg ik terwijl ik een slok van mijn koffie nam.
‘Ja, die ken ik al zolang ik hier woon, echt reuze aardig zijn ze en altijd gesprekken op niveau zal ik maar zeggen. Ja, weet je wat het is, die vrouwen die beneden in de conversatiezaal koffiedrinken zijn wel aardig hoor, maar ja, ze roddelen zo en daar houd ik helemáál niet van.’
Ik hoestte mijn opkomende giechel weg en trok een serieus gezicht. ‘Waar praat u dan over met die kantoordames?’
‘Over het leven,’ zei tante Door en keek opeens een beetje deftig. ‘Wat heb je gedaan in je leven, wat heeft het betekend, wat neem je daarvan mee en wat laat je achter, echt diepe vraagstukken dus.’
‘Jeetje,’ zei ik toch wel onder de indruk. ‘En weet u daar alle antwoorden op?’
‘Natuurlijk weet ik dat kind, aan hersens ontbreekt het mij niet, nooit gedaan ook, trouwens. Ik weet precies wat ik meeneem uit het leven. Ik neem de as van oom Jos mee. Dat urntje houd ik wel in mijn handen, past makkelijk in mijn kist, ja niet over praten hoor, want het mag vast niet, maar zo blijft hij tot in de eeuwigheid toch lekker bij me. Maar verder? Nee kind, verder hoef ik niks, ik geef alles weg en de rest laat ik alles achter. Je laatste jas heeft toch geen zakken.’
Even sprakeloos zat ik haar aan te staren tot ik weer wist hoe ik praten moest. ‘Wat zegt u? Maar het gaat toch goed met u?’
Tante Door grinnikte. ‘Tuurlijk kind, ik ben van plan om honderd te worden, al was het alleen maar om het pensioenfonds te pesten. Maar een mens moet wel voorbereid zijn op het einde.’
Het idee dat ze er op een dag niet meer zou zijn, drong opeens tot me door. Nadat ze zo goed opgeknapt was in het ziekenhuis en de revalidatiekliniek had ik geen moment meer gedacht aan de dag dat haar kwekkie stil zou staan. Maar als je al zesennegentig bent kom je niet meer in aanmerking voor wiegendood.
Na nog een uurtje kwebbelen, gaf ik haar een afscheidskus en ging ik er weer vandoor. Ik zwaaide nog even en liep naar de hal.
In het kleine gangetje hing maar één jas. Maar gelukkig wel met zakken.

written by

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.