‘Goh, moeder, gisteren trof ik u als herboren aan, maar vandaag bent u schijnbaar met het verkeerde been uit bed gestapt!’ verzucht de zoon die belastingman is tegen tante Door. Ze gaat er eens wat rechter voor zitten.

‘Hoe zou jij het vinden als je net je ogen open hebt en er meteen zo’n broedertje naast je staat met een handvol pillen die jij geacht wordt vol enthousiasme tot je te nemen? Mijn leven lang nam ik nog geen aspirientje in en nu? Ze stoppen me vol gif, waar je je ook nog eens blauw voor moet betalen. En alsof dat nog niet genoeg is,’ ratelt ze boos verder. ‘Dat pillenjoch komt altijd op bordeelsluipers binnen. Elke keer staat hij opeens naast me en schrik ik me het rambam. Waar zijn de krakende Crocs gebleven, vraag je je af. Die staan toch synoniem voor verplegend personeel? Ik heb nu al meerdere keren aan die snotaap gevraagd of hij niet zo wil sluipen, maar dat rotjoch trekt zich er niets van aan. Ik zweer het je jongen, vandaag of morgen geef ik hem een bats voor zijn kokosnoot. Weet je trouwens dat een flinke dreun voor de kanis geestelijk heel gezond kan zijn?’
De belastingman schudt zijn hoofd. ‘Nee, hoezo?
‘Na zo’n hijs voor de kersenpit begrijpt hij precies wat ik bedoel en zal hij het wel uit zijn pijnlijke kop laten om nog eens zo gluiperig mijn kamer binnen te komen.’
‘Nou, nou, moeder, zo erg is het toch allemaal niet? U was juist zo tevreden.’
‘O, zeker,’ bevestigt tante Door ijverig. ‘Ik geniet hier een uitermate attente verzorging, maar het kan altijd beter. Ze hebben allemaal zo’n haast, hè, dat is zo jammer. Gistermiddag nog toen de kar met drinken kwam. Ze willen dat je terplekke beslist wat je wil drinken, idioot toch?’
De belastingman grinnikt. ‘Moeder, u ligt hier nu bijna drie weken en dat karretje komt elke dag op dezelfde tijd, het verplegend personeel maakt u er nota bene dagelijks nog eens attent op en dan nóg moet u nadenken? Kom nou, u neemt elke dag hetzelfde!’
‘Ja,’ knikt ze heftig. ‘Omdat ik geen tijd krijg om iets anders te bedenken!’
Voordat haar zoon iets terug kan zeggen, komt er een keurige mevrouw de kamer binnenlopen. Zodra zij aan het bed van tante Door staat, steekt zij abrupt haar hand uit. ‘Dag mevrouw, ik ben Isa Isadora en ik ben transferverpleegkundige.’
Tante Door krijgt een licht glazige blik in haar ogen. ‘Wat moet ik me daarbij voorstellen?’ vraagt ze terwijl ze de dame van top tot teen bekijkt. ‘Als hartstochtelijk volgster van het profvoetbal denk ik nu meteen in termen van vergoedingssommen en op te strijken commissies, maar die mazzel zal ik wel niet hebben.’
De keurige mevrouw giechelt en is meteen wat minder keurig. ‘O, o, u bent me er eentje.’
‘Ja, dat ben ik zeker,’ beaamt tante Door terwijl ze de vrouw blijft bekijken. ‘Maar wat komt u nou doen?’
‘Ik regel overplaatsingen voor patiënten die uit het ziekenhuis ontslagen kunnen worden, maar nog niet naar hun eigen huis terug kunnen.’
‘Zeg dan meteen dat u een liaisonverpleegkundige bent!’ zegt tante Door verontwaardigd.
‘Die naam moest zeker opgepimpt worden, wat heeft dat allemaal wel niet gekost? Want ik weet heus wel dat zo’n verandering niet van de ene op de andere dag gedaan is. Nee, daar moet over vergaderd worden, dan moet er een werkgroepje geformeerd worden, die komen na drie maanden met een voorstel en dat moet weer over allerlei schijven. Met een beetje mazzel heb je na een half jaar een nieuwe naam.’
De vrouw staat tante Door met open mond aan te kijken en het blijft even stil.
‘Nou?’ vraagt tante Door ongeduldig.
‘Eh, ja. Waar ik voor kom is om u te vertellen dat u binnenkort naar een revalidatiekliniek kunt worden overgebracht. Dat is fijn hè?’ vraagt ze zonder op antwoord te wachten. ‘Ik heb allerlei informatie voor u en uw familie meegenomen en al vast voor u uitgezocht dat u in aanmerking kunt komen voor zes revalidatiecentra. Samen met uw familie kunt u kijken naar welke instelling uw voorkeur uitgaat en dat hoor ik dan graag over een paar dagen.’
Nu is het de beurt aan tante Door om even stil te zijn, wat bij de keurige mevrouw schijnbaar meteen ietwat moederlijke gevoelens doet ontwaken.
‘Ach, mevrouwtje,’ zegt ze poezelig en aait even over de hand van tante Door. ‘Daar hoeft u niet van te schrikken hoor, alles komt goed. Ook daar zijn er heel lieve mensen die goed voor u zullen zorgen, maar u moet zelf ook goed uw best doen hè? Uw sterk verminderde mobiliteit moet wat opgekrikt worden anders kunt u niet meer zelfstandig wonen. Om weer terug te kunnen naar uw eigen flatje moet u zelfstandig in en uit bed kunnen komen en de afstanden in uw woning dient u ook zelfstandig te kunnen overbruggen. Alle andere handelingen kunnen eventueel door de thuiszorg of door uw familie worden aangevuld. Begrijpt u, mevrouwtje?’ eindigt ze haar relaas terwijl ze ondertussen stug door blijft aaien.
Tante Door haalt diep adem en duwt het aaiende aanhangsel van de vrouw van zich af. ‘Zeg, bent u soms uit de poppenkast gevallen?’ roept ze terwijl haar anders zo witte uiterlijk licht roze verkleurt. ‘Ten eerste ben ik niet op mijn achterhoofd gevallen, dus behandel me niet als een seniel oud wijffie dat even vriendelijk op de hand moet worden geklopt, en ten tweede, u zult absoluut niet over een paar dagen horen waar mijn voorkeur naar uitgaat. Op basis waarvan kan ik zo’n fijne voorkeur uitspreken? Ik ben verdorie nog nooit met die ongetwijfeld interessante bedrijfstak in aanraking geweest. En gaat u nu maar weg, ik laat u wel weer roepen als we eruit zijn.’

Hoe moet dit allemaal aflopen? Volgende week meer…

written by

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.