Na dertig jaar werken word ik werkloos.
Het is 2003. Ik ben dan net 51 jaar en word bij uitzendbureaus al helemaal niet meer ingeschreven. Gebeurt dat wel? Ik verwacht er helemaal niks van. Dat zal ook blijken. Ook het toenmalige CWI -het huidige UWVwerkplein- volgt diezelfde koers.


Natuurlijk schrijft het CWI mij wel in, omdat het moet. Maar voor de rest? Het CWI is er toch om werklozen…? Ach, laat maar. De ene folder om het CWI in de markt te zetten is nog fraaier dan de andere. Ik heb dat bedrijf nooit op enige toegevoegde waarde kunnen betrappen. Ik vind het griezelig, zinloos. Waarom bestaat dat bedrijf? Werkgelegenheid voor zichzelf?
Van mij hoeft het niet meer.

Jawel, 51, te oud. Afgeschreven dus, ook door het CWI!
En zo begon die ellende: van werkloos tot depressief.
Dat is ook de titel van mijn boek.
Het is nu tien jaar geleden dat ik na dertig jaar werken, hard werken, werkloos werd. Zomaar, van het ene moment op het andere. Ik had er geen ervaring mee, ik was nog nooit werkloos geweest. De eerste keer dus in mijn leven.

Ik weet op dat moment dat ik van het UWV niets, maar dan ook helemaal niets te verwachten heb. Ik heb er immers zelf gewerkt. Dat is triest, heel triest. UWV dat werkgevers achter de vodden zit om veel energie, tijd en geld te besteden aan re-integratie 1e en 2e spoor zoals dat zo mooi heet. Re-integratie binnen het eigen bedrijf of extern.
Het stelt vaak helemaal niks voor. Dat wist ik al en het zal ook bij mij blijken.

Uiteraard mis ik vanaf de eerste dag mijn baan, mijn collega’s, het ritme in de week.
Maar vooral dat boterhammentrommeltje.
Wel eens afgevraagd waarom dat “trommeltje” heet?
Maakt niet uit. Bovendien gaat het niet om de inhoud van dat trommeltje. Voor mij staat dat boterhammentrommeltje symbool voor structuur in de dag, in de week, in de maand.
En dat is wat ik mis. Ik kan van de ene op de andere dag mijn verhaal, mijn gevoel niet meer kwijt. Er is niemand meer die nog luistert. Ik heb geen uitlaatklep meer.

De eerste maanden van mijn werkloosheid reageer ik mij af op allerlei fysieke klussen.
Ik barst van de energie. Dat wordt spoedig anders. Werkloos zijn is best wel leuk, een paar weken, een paar maanden. Daarna niet meer. De rest lees je in mijn boek.
Het begint ook aan mij te vreten. Ik merk dat het mij psychisch regelmatig vleugellam maakt.
Bovendien ben ik een beroepspiekeraar. Stel dat ik nooit meer een baan vind, stel dat ook mijn vrouw haar baan kwijtraakt, stel dat we ons huis moeten verkopen. Voor mij zullen het vele slapeloze nachten gaan worden.

Er valt een diepe schaduw over mijn leven van alledag. Ik zink steeds meer weg in sombere gevoelens, van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat. Overdag ben ik thuis, alleen. Helemaal alleen. Mijn vrouw is naar haar werk, de kinderen naar school.
En ik? Ik zit thuis. De muren zeggen niks. Geen postbode, geen telefoon. Niks, helemaal niks.
Inmiddels al tien jaar. Leg maar eens uit wat dat met je kan doen.

Ik merk dat ik langzaam maar zeker in een sociaal isolement geraak. Geen mens die het ziet.
Hoe krijg ik die dag kapot?
De meest stompzinnige tv-programma’s passeren de revue. Ik weet niet waarom ik ernaar kijk.
Soms durf ik de straat niet meer op. Schaamte omdat ik geen werk heb. Stel dat ik iemand tegenkom en die vraagt waarom ik daar “zo maar wat” loop? Terwijl ik weet dat ik anderen daar nooit op zou beoordelen. Het overkomt mij wel, zo voelt dat.
Zo voelde dat. Inmiddels zal het mij een rotzorg zijn.

Die fase van sociaal isolement ligt gelukkig achter mij. Nu doe ik zelf vrijwilligerswerk om mensen ervoor te behoeden dat ze in een sociaal isolement belanden. Via allerlei kleinschalige activiteiten maar dankbaar om te doen.
Maar ik mis nog altijd mijn boterhammentrommeltje.

written by

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.