Ik ben geen voetbalfan of -gek.
Toch kijk ik wel graag naar een potje voetbal. Doorgaans op zondagavond. Een uurtje en dan heb ik het wel gehad voor de rest van de week.
Tijdens de EK hang ik vrijwel iedere wedstrijd voor de buis. Het maakt mij geen bal uit wie er wint, als ik maar leuk, vlot en vooral sportief voetbal zie.

Dat laatste valt nog wel eens tegen.
Twintig van die jochies rennen alsmaar achter een bal aan. Zij mogen weer lekker buiten spelen. Dan staan er ook nog twee knullen alsmaar te wachten tot er eindelijk een bal naar hen toe komt. Te lui om zelf achter die bal aan te hollen, denk ik dan. Zoveel verstand heb ik van voetbal.

Telkens weer ben ik geboeid door alles wat er binnen die vier lijnen gebeurt.
Ik knipper even met mijn ogen; ligt weer tig-miljoen op de grond. Kermend van de pijn en vanuit de ooghoeken alsmaar kijkend of de scheidsrechter wel heeft gezien hoe ernstig het is. Als ik die taferelen zie, vraag ik mij telkens af waarom ik nooit een close-up in beeld krijg van die lijkenwagen die ongetwijfeld aanwezig is. Nog geen halve minuut later dartelt het joch weer vrolijk over de wei.

Voetballers zijn verdomd slechte acteurs. In negentig minuten krijg ik heel wat ontzettend slecht geacteerde scènes te zien van de stervende zwaan.
Is dit profvoetbal? Ja dus.
Trekken, duwen, spugen, shirt vasthouden, hand of elleboog in het gezicht, een bloedneus, pootje lichten, een forse tik tegen het scheenbeen, nog even per ongeluk op die voet gaan staan en al die andere, vaak smerige overtredingen. Jawel jongens, zo hebben jullie dat altijd geleerd. Hoorde bij je opleiding. Kennelijk heet dat tegenwoordig sport.

En dan de man met het fluitje, geassisteerd door een viertal mannelijke secondanten.
Ik vraag u af waarom dat altijd mannen moeten zijn. Zouden natuurlijk net zo goed -misschien wel beter- vrouwen kunnen zijn. Alleen al het woord emancipatie staat dat in de weg.
Wát de arbiter ook beslist: altijd en eeuwig commentaar en kritiek. Heetgebakerde gezichten en heftige armgebaren met bijbehorende geluiden langs de kant van het veld. Heerlijk als zo’n gestreste mannelijke plofkip het al te gortig maakt en onverbiddelijk naar de tribune wordt verwezen.

De commentaren van voetbalanalisten en andere al dan niet quasi-deskundigen komen vaak tot stand na uitvoerige analyses van de videobeelden. Ja, zo kan ik het ook. Ik ga in gedachten terug naar de wedstrijd en zie weer het moment waarop de arbiter in een fractie van seconden een beslissing moet nemen. Laat ik daar nou veel, heel veel respect voor hebben. Zonder commentaar.

Ik kan ook genieten van alles wat er buiten de lijnen gebeurt. Close-ups van de supporters, die vaak maar al te gekke uitdossing. Fanatiek uit het dak gaan bij een doelpunt van hun club. Afgrijzen, verbijstering en tranen op de gezichten bij het naderende onheil. Jubelende spreekkoren en waves tot en met heerlijk simpele en originele oerwoudgeluiden.
Heerlijk als een underdog met fraai voetbal glorieert over een gedoodverfd titelkandidaat.

Prachtige volksliederen, zelden of nooit gehoord.
Wat dat betreft ben ik blij dat Oranje er een keer niet bij zit. Ons aller ouwbollige Wilhelmus uit 1568. Met een beetje fantasie valt de melodie nog wel mee maar ik prijs mij telkens weer gelukkig dat geen mens -behalve de Belgen- die tekst verstaat. Begrijpen is weer wat anders. Van Duitsen bloed, den Koning van Hispanje en zo.
Jawel, dat is het Nederlandse volkslied.

Ze hebben mij weleens gevraagd om bondscoach te worden van Oranje.
Mijn onovertroffen kwaliteiten voor zo’n lullig klusje zijn duidelijk. Eén voorwaarde: tijdens wedstrijden ga ik in zo’n kostuumpje langs de lijn staan, jawel met stropdas. Er zijn immers camera’s.

Dat weiger ik.
Daarom ben ik nooit bondscoach geworden.


Meer columns van Rob van Spanje? Lees zijn bundel Vis op vrijdag!

 

written by

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.